Versie met foto's hier.

Papa

Ik (Gert) kijk naar de foto waarop papa als driejarige staat. Hij staat tussen zijn opa Gerrit van de Haar en zijn moeder in, de rechterarm rustend op het bovenbeen van zijn opa. Het is het oudste beeld dat ik van papa heb. Het daarop volgende is van zeven jaar later: een gezinsfoto van het gezin van mijn opa en oma uit 1929. Papa staat er als tienjarige wat terzijde en kijkt duidelijk met meer vermaak naar de fotograaf dan op de foto van 1922. Er is een foto (ca. 1949) waar ik als ongeveer driejarige bij papa op de arm in een groep mensen voor een levensecht vliegtuig sta. Ik herken er ook oom Arie op. Papa vertelde ervan dat er elke week een dubbeltje of een kwartje werd opgehaald en dat zo voor dit uitje is gespaard, totdat er genoeg geld was om het te realiseren. Er is een gezinsfoto met twee kinderen, Gertje en Netty, genomen 24-4-1948. En nog een foto uit ca. 1951, waar de oudste vier kinderen op staan. Ik herinner me nog mama's verontwaardiging toen de foto klaar was. De fotograaf had toch moeten zien dat ik mijn colbertjasje scheef dichtgeknoopt had?

Papa is van 1919. Zijn geboortedatum herinnert hij zich doorgaans nog goed. Die behoort tot de data die hij in zijn vasculair syndroom niet is kwijtgeraakt. De nieuwere gegevens, die omtrent zijn kleinkinderen bijvoorbeeld, zijn behoorlijk aangetast en voor een deel ook schijnbaar vernietigd. Wat er ook overbleef tot nu toe zijn de verhalen, de eigen levensverhalen. Dat die door de tijd verkleurd en gekleurd geraakt zijn, mag er wat mij betreft niets aan afdoen. Alle verhalen immers verkleuren in de loop van de geschiedenis.

Wat zijn de hoofdlijnen van papa's levensverhaal, zoals ik me die vanuit zijn eigen vertellingen en mijn persoonlijke herinnering voor de geest kan halen? Hij werd geboren als derde van elf kinderen, het tweede huwelijk van zijn vader even buiten beschouwing latend. Hij was de oudste zoon. Uit de verhalen weet ik dat hij van jongs af aan heeft geprobeerd te helpen bij de mannentaken die bij het gezinsleven van zijn tijd hoorden. Er zal altijd wat vee geweest zijn dat verzorging nodig had. En de tuin zal, het kan haast niet anders, papa's aandacht gehad hebben. Papa is geboren op het Benedeneind, aan de Grift. Ik heb wel eens mooie oude foto's van deze straat gezien, met bruggetjes. Hier heeft papa dus zijn eerste bijna vier jaren gewoond. Een anekdote is dat hij als peuter op een zondag en gekleed in een nieuw matrozenpakje samen met zijn oudere zusjes zijn vader, die uit de kerk naar huis terug kwam lopen, tegemoet mocht gaan. Toen de zusjes hun vader ontwaarden, vergaten ze hun broertje en holden vader tegemoet. En papa, hij zal nog niet erg goed hebben kunnen lopen, belandde in de Grift, waar zijn toegesnelde vader hem na sprong om hem te redden.

Bij het groter worden van het gezin is het verhuisd naar de Hondzenelleboog, papa noemde het altijd 'de Hondskont', de latere Dijkstraat. Het huisnummer was aanvankelijk 42. Later werd het Dijkstraat 96. Papa moet toen nog net drie geweest zijn, gezien Veenendaal de geboorteplaats van oom Kees is. Als hondenuitlaatgebied is de Hondzenelleboog op internet nog altijd terug te vinden: een gebied ten zuiden van de Dijkstraat. Ik ken het verhaal van het gammele huisje en hoe opa tijdens een storm op het dak klom om te proberen te voorkomen dat de boel in zou storten. Papa vertelde dat er beneden twee bedsteden waren en dat op de bovenverdieping, een soort zoldertje, een slaapplek voor hem was afgeschot. Er waren altijd mussen daar waar papa sliep. Die konden door de pannen heen komen. Papa moest voor het slapen gaan altijd eerst vogelpoep opruimen. En 's winters gebeurde het wel dat papa met sneeuw op zijn dekens wakker werd. Papa ging naar school, vermoedelijk per 1 april 1926. Er was een leerplicht van zeven jaar en het schooljaar liep dan dus van april tot april. Toen het huis werd omgegooid, schijnt er maar één stoot met een soort grijper nodig te zijn geweest om het halve huis al in elkaar te laten vallen. Papa ging die dag naar school en moet dus minstens zes geweest zijn. Hij schat zelf dat hij zes of zeven was. Papa zag voor schooltijd die eerste stoot (ooit heeft-ie ook verteld dat het een stoot met een paal was) en toen hij uit school thuiskwam, was bijna alle puin al opgeruimd. Het moet dus een klein huis geweest zijn. Het gebeurde in de zomer. Het gezin leefde een paar weken overdags in het bakhuisje bij het huis. Misschien is dat huisje wel gebouwd voor het eigenlijke huis uit. Ze konden er alleen niet allemaal slapen en papa ging 's avonds naar opoe Van de Haar om daar te slapen. In vier weken tijds zou het nieuwe huis door vier bouwvakkers opgebouwd zijn, deels van stenen die papa's vader gratis had mogen afhalen toen huize 'de Tol' aan de Kerkewijk was platgegooid. Papa ging naar de Patrimoniumschool. Zijn laatste schooljaar was die school te klein en verhuisde papa's klas naar de Tekenschool (ambachtsschool), waar een lokaal over was. Op mijn vraag aan papa waarom hij, nu hij de zesde klas voor de tweede keer moest doen om de leerplichtwet, niet gewoon naar de ambachtsschool is gegaan, bleef hij elk antwoord schuldig. Doorleren was in het gezin gewoon helemaal niet aan de orde.

Aan de Hondzenelleboog is papa opgegroeid. Het is moeilijk me in de situatie van het uitdijende gezin echt in te leven. Eén generatie kan voldoende zijn om de wereld van de vorige niet meer te kunnen begrijpen. De leerplicht ging echt een rol spelen in papa's leven nadat zijn moeder na tien dagen ziek geweest te zijn aan longontsteking overleed, 36 jaar oud. Dat was op 15 oktober 1932. Papa deed de zesde klas toen voor de tweede keer. Na het sterven van zijn moeder kreeg hij voor de rest van het schooljaar vier dagen per week vrijaf om thuis te kunnen helpen en vrijdags bleef hij nog naar school gaan. Wat een impact moet het sterven van moeder op het gezin hebben gehad. De dokter, die wist dat mensen aan een longontsteking binnen tien dagen kunnen overlijden of gaan opknappen en die aangaf dat ze 'volgende week zaterdag' zou moeten halen, wilde het goed komen. En de moeder, die juist de vrijdag ervoor de laatste adem uitblies, tien in leven zijnde kinderen achterlatend en zwanger van een nieuwe baby die ze meenam in haar dood. Kort na zijn moeder is ook papa's oma van vaders kant overleden. Op een bepaald moment is papa's opa toen vanuit de Middelbuurt bij het gezin in de Hondskont ingetrokken. Voor het zover was, is papa's opa één dag in de week door papa opgehaald voorop de transportfiets van het gezin. Ze zijn ook een keer komen te vallen zo, maar opa stapte weer op alsof dat niet gebeurd was.

Vanaf zijn veertiende moest papa op zoek naar werk. Hij heeft daar vaak over verteld. Hoe hij bij de 'Ritmeester' terechtkwam en in het begin werkte als loopjongen voor het kantoor en voor villa 'Middelwijk' aan de Kerkewijk, waar een directeur woonde. Hij deed boodschappen voor de villa en bracht voor het kantoor bijvoorbeeld accijnsgelden weg naar het belastingkantoor in Rhenen. Mevrouw Van Schuppen, de ziekelijke vrouw op villa 'Middelwijk', had belangstelling voor papa's achtergrond en stopte hem graag wat extra geld toe. Bijzonder is het verhaal van de Sinterklaasinkopen die papa per fiets deed voor de villa en hoe zijn fiets toen in tweeën brak. De stang zou op de plek waar eerder een kinderzitje gemonteerd was geweest, zijn gaan roesten en op dat punt uiteindelijk gebroken zijn. Het vervolg van het verhaal brengt een nog goede 'nieuwe' fiets uit ik meen de kelder van de fabriek. Want papa was loopjongen, op de fiets.

Uit de oorlog bestaan er diverse verhalen. Papa voer op een boot met koeien die geëvacueerd moesten worden naar Lekkerkerk en begeleidde het vervoer per vrachtwagen terug naar Veenendaal. Hij heeft wacht gelopen langs de spoorlijn. Dat was voor de Duitsers. Omdat het regende, verschool hij zich die nacht in een schuur. Hij probeerde te voorkomen dat vee door de Duitsers in beslag zou worden genomen. Hij nam taken van zijn vader over, zoals hij dat al gewend was geraakt te doen. En na de oorlog zou hij met paard en wagen op een landmijn terecht gekomen zijn als er niet een waarschuwende stem had geroepen.

Al op de lagere school had papa zijn oog laten vallen op een nieuw meisje in een lagere klas, uit het westen gekomen, een meisje met vlechtjes. Kort voor de oorlog vroeg en kreeg hij verkering met haar, Mien van Braak. Op 10 augustus 1945, een paar maanden na de bevrijding, trouwden ze en tien maanden daarna werd hun oudste geboren. Het huurhuis aan de Patrimoniumlaan, nummer 27 (later werd het 29), moest in de eerste tijd vanwege woningtekorten gedeeld worden met een ander stel, Bas van Ravenswaay, een zoon van een boer waar papa als jongen al bij werkte, en Gijsje Takken, en later was er opnieuw een periode waarin het huis moest worden opgesplitst, toen een zus van papa, tante Dien, moest trouwen en er zo gauw geen huis voorhanden was. Papa vertelde dat zij zo'n anderhalf jaar bij ons hebben ingewoond (ik was er inmiddels ook en ik heb herinnering aan deze inwoning) en dat hijzelf elke twee weken op dinsdagmorgen naar het gemeentehuis ging om een daarvoor aangewezen ambtenaar te vragen om eigen woonruimte voor het jonge stel. Uiteindelijk kregen zij het bovenhuis aan de Dennenlaan, toen nieuwbouw, waar ik me het gezin van tante Dien ook nog herinner.

Daar, aan de Patrimoniumlaan, hield papa kippen, kuikens en geiten. Een periode was er ook een varken, maar dat was voor zover ik me herinner eenmalig. Papa slachtte de kippen zelf en verdiende daar ook een zakcentje mee. Voor buurman Van Ginkel slachtte papa ook, totdat buurman het een keer zelf probeerde en een kip met een half afgeslagen kop daar de hele tuin door fladderde. Ook een geit werd geslacht achter het huis. Mama wilde er niet bij zijn en maakte dat ze weg was door boodschappen te gaan doen. Papa maakte van beton waslijnpalen die nooit zouden rotten en later maakte hij van opnieuw zelf gegoten betonpalen en betonplaten een kippenhok. Dat hok is later verder naar achteren in de tuin verplaatst en in 1960 opnieuw afgebroken en weer opgebouwd in de tuin van Dijkstraat 125. Papa heeft altijd getuinierd. Met liefde verbouwde hij de groentes voor het gezin en met liefde liet hij anderen in de oogst delen. De eieren gingen elke week naar de eierhandel. Ik herinner me een keer dat het door hem getimmerde kistje met de eieren en ik samen op de slee mochten en dat we zo, in het donker al, naar de eierhandel aan de Parallelweg trokken. En dan was er oom Kees, die geregeld hulp kon gebruiken op de boerderij. Ik heb nooit het gevoel gehad dat papa daar met tegenzin 'ja' tegen zei. De kerkenraad herinner ik me, de prekenboekjes, die ik ook zelf heb rondgebracht naar mensen die niet naar de kerk konden gaan. Papa was eerst diaken en later veelvuldig ouderling. Dan was er nog het schoolbestuur en de BB. 's Avonds was papa vaak niet thuis. Toen we op een keer in de tuin, tegen de schuur, een grote tent hadden gemaakt van kleden of oude lakens, was buurvrouw Bruis bang dat er brand zou kunnen komen. Hadden we misschien ook iets met een kaarsje of zo? Een waxinelichtje voor een speelgoedfornuisje? Naast onze schuur stond een grotere schuur met de opslag van de groothandel in textiel van de buurman. Papa timmerde ook wel. Ik herinner me een soort kar op vier wielen met ik meen een fietsstuur, die bedoeld was als speelgoed op straat, of liever gezegd op de stoep. En ook heeft hij ooit een degelijke slee getimmerd. In mijn ogen was zijn timmerwerk ruw, robuust en degelijk. De oudere kinderen kregen te maken met fietsen die te groot voor hen waren. Papa maakte houten 'klossen' aan de trappers, waarmee je net een paar centimeter won. Van de Patrimoniumlaan herinner ik me ook mijn hobby met zwakstroomlampjes en een zwakstroombelletje. Ik heb in die jaren heel wat schelledraad door dat huis getrokken en overigens later, op de Dijkstraat, ook nog weer. Ik kreeg daar ook veel ruimte voor, achteraf bezien. Wat me bijstaat over de Patrimoniumlaan is die nacht toen het na een strenge vorstperiode begon te dooien. Er was een waterleiding die tussen het plafond van de kamer en de vloer van de slaapkamer erboven liep kapotgevroren en toen het ging dooien was er dus lekkage. Alles was nat 'geregend' in huis en in de kelder stond al een hele laag water. En papa moest gewoon naar de fabriek en wij als kinderen naar school. En alles kwam weer goed. Toen ik negen was, ik weet dat omdat ik in de derde klas bij meester van de Biezen zat, bij wie ik me goed voelde, zijn we een week naar een vakantiehuisje in Garderen geweest, op de 'Talmahoeve', van het CNV. Volgens papa heette het huisje 'de Koekoek'. Dat moet in 1955 geweest zijn. Mama ging er met de bus heen, met Arris en Mieke, die dus nog baby waren. Ik weet niet of alle vier oudere kinderen met papa op de fiets mee gegaan zijn, maar ik denk van wel. Mama moest in Barneveld overstappen. Daar troffen we haar met de tweeling bij het busstation. Daarna kregen we bij een ijscoman een ijsje, met slagroom, van een kwartje! Dat hadden we nog nooit gehad. Daar in de Talmahoeve viel het zomerweer wat tegen. Om zeven uur 's morgens hing het uitgeschreven weerbericht van tien over half zeven (op dicteersnelheid) op een bord bij de receptie. Enfin, ik weet nog dat de gasfles leeg was. En mama wilde zuinig doen met het gas en daarom het gaskacheltje in het huisje niet gebruiken. En ze was bang dat Arris en Mieke ziek zouden worden van de kou. Op school maakte ik na de vakantie een tekening van jeeps in een soort zandgat. Het zal een militaire oefening geweest zijn, die we in die omgeving hadden gezien en die veel indruk op me heeft gemaakt. Was het die keer dat we bij thuiskomst de huissleutel kwijt waren? Een groot probleem werd dat niet, want papa tikte de pinnen uit de scharnieren van de achterdeur en tilde zo de hele deur eruit. Voor de kamerplanten hadden we in de (donkere) schuur een teil met water gezet en woldraadjes gespannen vanuit die teil naar de planten. Op één of andere manier hadden we daarmee een soort druppelsysteem gemaakt dat de planten van water voorzag. Duidelijk dat in die tijd door onze ouders de buren niet gevraagd werd een oogje in het zeil te houden. We waren overigens voor die vakantieweek uit wezen kijken bij de Talmahoeve. Oom Hans had ons op een zaterdagmiddag gereden, een hele auto vol. Een Wartburg was het, weet ik nog. Het was, denk ik, de eerste autorit die ik ooit gemaakt heb. De volgende zou een halfjaar later volgen, op donderdag 16 februari 1956, de zeventigste verjaardag van opoe Van Braak. Het was erg koud toen en we gingen 's avonds vanwege die kou met een taxi naar opoe. Onderweg moesten we langs de apotheek, want de chauffeur had glycerine nodig om zich een kijkgaatje in de voorruit open te kunnen houden.

Mama was psychisch niet al te sterk. Ook lichamelijk ging er nogal eens wat mis. Wat ik me herinner is dat ze de druk van het gezin niet altijd aankon en soms erg zenuwachtig werd als ze dacht het niet te kunnen. In mijn herinnering zie ik papa bij haar hurken op de vloer om haar moed in te spreken en haar ervan te overtuigen dat ze het prima kon. En ik zie hoe rustig papa bleef als mama in paniek was. Als papa er maar was, voelde ik me veilig. Maar geregeld werd mama in het Julianaziekenhuis aan de Cuneraweg opgenomen. Het gezin viel dan tijdelijk uiteen: de kinderen werden bij ooms en tantes ondergebracht. Van mezelf herinner ik tijdelijk bij oom Wim en tante Dit aan de Achterkerkstraat te zijn geweest, bij oom Kees en tante Sien en bij opoe Van Braak.

De buren aan de Patrimoniumlaan waren Arend van Ginkel en Jopie van Barneveld. Jopie had bij papa in de klas gezeten. Ik herinner me consternatie bij mama terwijl de buren weg waren, maar dochter Janneke, hun oudste, thuis. Janneke had de deur op slot gedaan en mama vermoedde haar in de slaapkamer, misschien wel met een jongen. Ik zie papa nog door de dakgoot naar het slaapkamerraam van de buren schuifelen, kennelijk om te checken. Het gebeuren had verder niet te zeer mijn aandacht, ik was te jong voor zoiets als een meisje en een jongen, dus mij is ook ontgaan hoe dit uiteindelijk is afgelopen. Papa herinnerde zich de gebeurtenis wel, maar de afloop ook al niet. Het zal wel figuurlijk niets om het lijf gehad hebben. Daar op de Patrimoniumlaan hadden we eerst geen watercloset, maar een echte poepdoos. Geert Kil kwam om de zoveel weken langs om de gierput achter het huis leeg te scheppen. En ik herinner me dat er niet te veel water in de poepdoos mocht, omdat de tank anders te snel vol zou kunnen zijn. Een douche hadden we op de Patrimoniumlaan nog niet, laat staan warm stromend water. Van voor de tijd van het eigen lavet herinner ik me dat we 's winters op zaterdagmiddag als kinderen om beurten in de teil met warm water gingen die dan op de tafel in de woonkamer stond. Zoveel mogelijk water werd warm gemaakt op de kachel, waar je van boven een paar ringen uit kon halen, waarna een daarvoor geschikte waterketel als het ware tot in het vuur kon zakken om snel heet water te produceren. Later, toen oom Arie en tante Jans van de Gortstraat (zij woonden boven, bij opoe Van Braak) naar de Jan Steenstraat verhuisden, nieuwbouw in het 'Franse Gat', gingen we 's zaterdagsmiddags om beurten om bij hen in het lavet te douchen. Ik weet nog dat de haren om de week gewassen werden en dat de badkamer verwarmd werd door een petroleumstel. Daar zal dan ook wel tegelijk water op verwarmd geworden zijn, lijkt me. Dit dus totdat we zelf in de ouderslaapkamer een lavet kregen. Tot dan was er daar een granieten aanrecht. Papa timmerde de stellage waarop het lavet moest komen. En wellicht heeft in deze zelfde tijd de elektrische boiler in de keuken z'n intrede gedaan, zodat er boven ook warm water zou zijn. Mama wilde wel met de tijd mee! Zo was ze ook op tijd met een Hoover wasmachine. Nee, nog lang geen automaat. Het was een soort trommel die het wasgoed met water en al rond liet draaien. Meer niet. Er was een wringer om na de was zoveel mogelijk water uit het wasgoed te wringen. En de degelijke waslijnen bewezen natuurlijk goede diensten.

De Patrimoniumlaantijd was de tijd van 'moeder de vrouw is altijd thuis'. De vrouw ging niet de wereld in, maar de wereld kwam naar haar toe. Ik zie de melkboer met z'n bakfiets, bakker Van de Brink, die moest concurreren met de beide bakkers die er op de Patrimoniumlaan zaten, de chef van de Albert Heijn, die dinsdags het boodschappenboekje afhaalde en donderdags met een mandfiets (net als de bakker) de bestelling kwam afleveren. Ik zie de petroleumboer, de meteropnemer voor stadsgas, de meteropnemer voor de PUEM (elektriciteit) en de watermeteropnemer, die ter plekke elke zoveel weken de kosten berekenden en die ook aan de deur afrekenden. De kolenboer zagen we vooral in de zomer. Dan waren de kolen goedkoper en werd elke week of twee weken een grote zak kolen in het kolenhok gespaard. En voor papa's vee hadden we nog de meelboer, Van Baaren. In de eerste jaren waren we geabonneerd op de Draadomroep, een soort kabel met een schakelaar waarmee je omschakelde tussen radiokanalen. Later kwam er een kleine buizenradio. Die had een minuutje of wat meer nodig om warm te draaien alvorens er geluid uit kwam. Er was maar één elektrische zekering in huis in die tijd. De stop heette die. Ging die stuk, dan was alles uitgevallen. Een nieuwe zekering kostte kennelijk te veel, want papa had een oud stuk snoer waar hij, wanneer nodig, een dun draadje uit trok waarmee hij dan de noodzakelijke verbinding buiten de stop om herstelde. Dat werkte perfect. De veiligheid was waarschijnlijk ver te zoeken. De eerste televisietoestellen in de straat verschenen rond 1954, als ik me niet vergis. Aan een hoge antenne op het dak wist je waar een televisie was. Kinderen waren bij kinderuitzendingen welkom bij Van Hardeveld, bij ons aan de overkant en later ook bij de elektriciteitswinkel of de buren daarvan, een vijftal huizen verderop in de straat. De vloer van zo'n woonkamer zat dan zomaar vol met kinderen. Ik herinner me het programma 'de Verrekijker'. De uitzendingen kwamen toen van de NTS. In 1956 is het televisieland verzuild naar het model van de verzuiling in radioland.

Ik denk dat het vooral mama was die graag vooruit wilde. De zinnen werden logischerwijs gezet op een groter huis. Dat zou dan een koophuis moeten worden. Ook, maar niet alleen daarom werden we als gezin buitengewoon actief met de bezorging van folders, kranten, proefmonsters, bloembollen en heesters en andere. Ik ben zo bijvoorbeeld met grootverpakkingen kauwgum de winkels langs geweest om toonbankverkoop aan te moedigen. Het begon toen ik een jaar of negen was met de wekelijkse vijfhonderd foldertjes van de Vivo van Schimmel, die ik eerst stempelde en daarna bezorgde. Ik heb daar geen goede herinnering aan. Het was teveel voor mij als kind. Toen we verhuisden naar de Dijkstraat, kregen we van Van Engelenhoven, de fietsenmaker, toestemming om de pakketten kranten van 'Trouw', toen een middagkrant, bij hem voor de zaak uit te mogen laten laden in plaats van bij ons voor de voordeur. Zo ging het bezorgen van alles gewoon mee naar het nieuwe adres. Omdat we voor de nieuwe kerk, waarvoor grond was gekocht aan de Colijnstraat, veel oud papier ophaalden, beschikten we over een door leerlingen van de Ambachtsschool gemaakte handkar op twee fietswielen, die ik ook aan mijn fiets vastmaakte. Zo heb ik op mijn veertiende heel wat verhuisvrachtjes van de Patrimoniumlaan naar de Dijkstraat overgebracht, om ten slotte Ineke in de kinderwagen te verhuizen. Ik dacht dat dat ook achter de fiets moest kunnen, maar dat werd me toch verboden.

We verhuisden in de zomer van 1960 naar de Dijkstraat. Nog in hetzelfde jaar braken papa en mama er vanaf dat adres even tussenuit. Ik heb foto's waarop ze een dag en een nacht in Alphen aan de Rijn zijn, waarschijnlijk bij familie. Eén foto is bij een boerenhek, met een koe op de achtergrond en één bij een hooiberg. Tante Mien van Dam was die dagen bij ons om de zaak in het oog te houden, maar wij hadden meegekregen dat we nu zo groot waren, dat we heel veel ook zelf zouden kunnen regelen. Ik herinner me dat we 's avonds samen met tante Mien en oom Aart, nog buiten, zongen ''k Wil u o God mijn dank betalen, u prijzen in mijn avondlied.' Van 1960 en 1961 heb ik verder een aantal foto's die oom Wim is komen maken, onder andere van Ineke. Van 1 augustus 1960 is er een gezinsfoto in Ouwehands Dierenpark. In 1961 heb ik de fotografietaken naar me toe getrokken en tot nu toe valt het me zwaar die los te laten.

Toen ik 18, misschien net 19 was, haalde ik mijn rijbewijs. Er kwam een tijdje later (1966 of 1967) een auto, de XD-84-26, een tweeportiers (de portieren scharnierden niet voor, maar achter) tweetakt DKW-halfautomaat, die dus een automatische koppeling had. Op de veertig liter benzine ging er een liter olie in de tank. Die olie kochten we in literblikken, steeds een aantal tegelijk. De auto moest eerst terug naar de verkoper, de garage waar oom Hans werkte als boekhouder, omdat het ding te weinig wilde trekken. Hij kwam de berg naar Elst die eerste avond nauwelijks op. Een oudere vorige eigenaar scheen hem 'lui' te hebben gemaakt. Na wat gedoe kwam het goed met het vehikel en hebben we het zelfs van onder getectyleerd. Gewoon, door hem op de oprit op twee zandheuveltjes te rijden en eronder te gaan liggen. Enige tijd was ik de enige in huis met een rijbewijs. Maar papa en mama gingen ook lessen. En na mama haalde ook papa uiteindelijk, zijn elfde keer (datum eerste rijbewijs 24-6-1969), het roze papiertje. Pas nu hoor ik dat hij op advies van mama een doos sigaren voor de examinator meenam en dat het leek dat dat hielp. Overigens, als hij zou worden opgehaald om af te rijden, kon hij vooraf zomaar op de bank in slaap vallen en gewekt moeten worden als de auto voor stond. Dat moet toch iets over zijn levensinstelling zeggen, lijkt me. Wat die DKW betreft: Ooit schijnt mama geprobeerd te hebben de uitlaat met een stofzuigerstang of -slang te repareren. En in elk geval: die auto heeft enkele jaren goede en voor zover ik me herinner goedkope diensten bewezen.

Vanaf 18 of 19 jarige leeftijd onttrekt het gezinsleven zich aan mijn aandacht, eerst door persoonlijke problemen aan mijn kant en later doordat ik in militaire dienst moest. Ik fietste het grootste deel van mijn diensttijd dikwijls heen en weer tussen Garderen en Veenendaal, bij weer en wind, bijvoorbeeld om de jeugdvereniging te blijven bezoeken. Maar om half elf 's avonds moest ik alweer fietsen, om voor twaalf uur in de kazerne te kunnen zijn. Of ik vertrok om half zes 's ochtends om om zeven uur weer op mijn post te zijn. Ik herinner me een donkere avond dat ik op weg was naar huis met een enigszins lekke band en geen fietspomp had om bij te pompen, zodat ik af en toe onderweg ergens moest aanbellen en om een fietspomp vragen. Het viel me tegen dat zo weinig mensen klaarblijkelijk over een fietspomp beschikten. Papa kwam me tegemoet met een fietspomp achterop en we ontmoetten elkaar, denk ik, nabij Lunteren. Dat doet me denken aan de fietstocht die ik eerder, ik zal een jaar of 14 geweest zijn, met papa maakte naar Alphen aan de Rijn. We logeerden een nacht bij oom Thomas en tante Margje, in hun houten huisje aan het kanaal. Onderweg, in een schuur bij een buurtwinkeltje schuilend voor een bui, kreeg ik een flesje prik van papa. Het merk was Joy. Ik geloof niet dat je dat merk nu nog ziet.

En toen was ik dus al niet meer in huis en eigenlijk alleen nog op bezoek. Mama had het moeilijk om me los te laten. Bij papa heb ik dat nooit zo gevoeld. Ik vind hier het artikeltje in Ritmeesternieuws november 1974 over jubilarissen bij Ritmeester. Papa was er één van. Hij kreeg bij die gelegenheid, op 20 september 1974, het zal zijn veertigjarig dienstverband zijn geweest, de koninklijke onderscheiding in brons in de orde van Oranje-Nassau. Ik zie dat het eremetaal in dezelfde sessie aan anderen ook in goud en in zilver is uitgereikt. Maar zie: namens alle jubilarissen was het papa die het woord nam om te bedanken voor de feestmiddag. 'Onze dank gaat bovenal naar Hem', zo wordt hij in het artikel geciteerd, 'die ons de gezondheid en de kracht heeft gegeven om het werk in de afgelopen jaren te verrichten.' Als dat geen goud is! Een paar maanden later, toen wij ons huis in Genemuiden betrokken, hielp papa me een dag met het leggen van de door ons gekochte houten vloer. Om nog maar een herinnering te noemen.

Dijkstraat 125 werd Dijkstraat 96: terug naar de familiegrond. En daarna, inmiddels met pensioen, kwam de Edelmanlaan 60. Papa tuinierde nog volop, bij Harry en later bij Arris, rond de flat en bij de kerk. Op de Edelmanlaan was het dat papa plotseling zijn vrouw verloor. Een paar dagen kreeg hij nog, die hij ook nodig had om los te kunnen laten, voordat mama definitief vertrok.

En toen, het was augustus 2001, was papa alleen. Hij droomde nogal eens dat hij mama weer hoorde roepen. Maar hij paste zich aan en kon alleen verder. Dat kon hij nog steeds toen hij drie jaar later vrij plotseling nagenoeg blind werd. Hij had het er moeilijk mee, vooral met dat hij niet meer tuinieren kon en geen natuurfilms meer kon zien op de tv, maar hij schikte zich. Vele jaren was er een eend die op zijn balkon naar hem toe kwam en een nest bouwde in zijn plantenbak. Heel wat jonge eendjes beleefden hun eerste levenslicht daar op zijn balkon. Wat zat hij hij daar veel en wat zat hij daar graag! Een jaar of tien later, in 2014, kreeg papa een tia. Daarna lukte het niet goed meer om de draad voldoende op te pakken. Ik merkte op een bepaald moment dat hij niet meer met de magnetron om kon gaan en zijn warme maaltijd dan maar koud opat. 'Koud smaakt het ook goed', zei hij me letterlijk. We vonden een plaats in een verzorgingshuis, 'het Boveneind'. Vanaf dan zou hij geregeld, ook bij het burgemeestersbezoek voor zijn honderdste verjaardag, memoreren dat hij aan het Benedeneind werd geboren en zal eindigen in 'het Boveneind'. 'Wel opgeklommen dus', concludeerde de burgemeester terecht. Papa had op op zijn honderdste verjaardag acht kinderen, 26 kleinkinderen en 55 achterkleinkinderen, waarvan één achterkleindkind overleden.

Kort voor die honderdste verjaardag werd papa ziek. Hij verzwakte en werd geel. Een echo in het ziekenhuis, die hij nog wel wilde laten maken, maar die eigenlijk toch te zwaar voor hem bleek, leek te wijzen in de richting van alvleesklierkanker. Tien dagen na zijn honderdste verjaardag kwam hij voor het eerst niet meer uit bed. Papa ging bezig met de dood en verlangde daar ook naar. Hij benoemde zijn gevoel te willen gaan, maar dat zijn lichaam hem nog vast bleef houden. En ook wij spraken met hem bijvoorbeeld over hoe hij zijn begrafenis zou willen. Maar een paar weken later werd hij weer beter. De gele kleur verdween en de eetlust kwam terug, om maar te zwijgen van de levensmoed. Zo niet de lichaamskracht. Eenmaal nog zetten we hem uit bed op de stoel, maar dat bekwam hem niet goed en we waren genoodzaakt hem snel terug in bed te tillen. Als ik dit schrijf, ligt hij nu bijna tweeënhalve maand in bed. Soms denkt hij nog dat hij zelf naar de wc zal kunnen lopen, 'als jij me een beetje vasthoudt', maar helaas zit het er niet meer in. Zijn inprenting is erg slecht, maar zijn verhalen zijn er nog altijd. Hij heeft het niet opgegeven om te willen weten welke dag het is, of welk jaar, of hoe oud hij is. Hij vraagt ernaar vanuit de mist in zijn brein, maar hij houdt het niet meer vast, soms nog geen minuut. Dat leidt onder andere tot een eindeloze reeks van momenten van verbazing als hij hoort dat hij de honderd al is gepasseerd.

Het is de aan papa extra toegemeten tijd van deze laatste maanden die me op het idee bracht tot het schrijven van dit stuk. Op 9 december heb ik de voorlopige versie met papa kunnen doornemen. Opvallend hoeveel namen van heel vroeger die hij noemde toen ook bij mij terugkwamen. Maar ook gleed papa af en toe uit en gaf wendingen aan zijn herinneringen, waarvan ik weet dat ze niet juist kunnen zijn. Ik heb alles bij elkaar genomen getracht de beschreven grepen uit papa's levensgeschiedenis zo getrouw mogelijk te vertellen. Ter herinnering. Nadat ik papa de voorversie van dit stuk, in twee delen gesplitst, had voorgelezen, vroeg ik hem hoe hij op zijn leven terugkijkt. Hij dacht even na en zei toen: 'Ik weet niet meer wie het zei, maar iemand zei tegen me: Jij hebt altijd mogen leven onder een paraplu van zegeningen. En dat is waar ook. Ik heb het altijd heel goed gehad.'

Pagina geschreven 6-12-2019, laatst gewijzigd 22-12-2019.