Droom

Heftig was-ie, mijn droom waar ik vanmorgen uit ontwaakte. Natuurlijk, heftig is een modewoord om iets vanbinnen als gevoel te poneren. Of alleen maar om een ander te bevestigen. Het wordt langzaam minder, de nachtmerries die over mijn vroegere werk gaan. Daarin kwamen soms heftige gebeurtenissen voor. Ik heb een bureautelefoon naar m'n hoofd gesmeten gehad, ben in de nacht knock-out geslagen met twee politiemannen achter me. Ik ben met de dood bedreigd, overigens zonder dat ik op het idee kwam daarmee iets anders te doen dan doorgaan met mijn werk. Er waren weken waarin ik thuis op mijn hoede was omdat ik vreesde dat een cliënt met zijn pistool bij me zou verschijnen en waarin ik 's morgens mijn auto rondom in ogenschouw nam, omdat ik bang was dat die zou kunnen zijn gesaboteerd. Ik verloor een twintigtal cliënten aan suïcide, werd door de politie ontboden om één van hen te identificeren en reisde naar diens familie om het slechte bericht te brengen. Ik haalde een psychotische cliënt uit Duitsland terug en reed hem naar de PAAZ van het ziekenhuis in het grensdorp. Een andere psychoticus, met wie ik op weg was naar een andere PAAZ, meldde me, naast me in de auto, dat 'ze' hem zeiden mij in het gezicht te stompen, waarop ik reageerde met dat 'ze' dan wel hartstikke gek moesten zijn, hetgeen gelukkig goed uitpakte. Ach, terecht mocht dat later niet meer, zelf cliënten vervoeren.

Dit alles heeft geen betrekking op mijn nachtmerries. Het is niet wat terugkomt. Dat gaat om iets anders, iets minder grijpbaars. Mijn werk was voor mij dikwijls onder te grote druk, waarmee ik bedoel dat te veel gedaan moest worden in te weinig tijd. Als ik bijvoorbeeld al op pad moest zijn naar een crisissituatie, bleef mijn telefoon maar gaan met steeds nieuwe zaken, die ook aandacht en zorg nodig hadden. Ik kan ze nog horen, de piepjes die me om de minuut in mijn gesprekken waarschuwden betreffende het aantal wachtenden: drie piepjes bijvoorbeeld betekende drie wachtenden. Ik had het gevoel dat het nooit genoeg was, dat er altijd meer moest, dat ik te weinig tijd had, dat de tijd te snel ging.

Die druk, die speelt me, nu veertien jaar na mijn pensionering, nog parten. Die bezorgt me angstige dromen, waarin ik nog minder uitweg zie dan ik in de realiteit van toen ervoer. En dan word ik zwetend wakker en weet dat het 'maar' een droom was en dat ik niet meer hoef.

Ja, ik weet het. Nu weet ik het. Ik heb me toen op laten zadelen met te veel, heb te weinig grenzen gesteld en, toegegeven, ik heb in die tijd zelfs werk naar mezelf toe getrokken.

Langzaam wordt het minder, maar uit en over is het niet. Het is als met elke ervaring: er blijft iets van achter, iets in het gestel verandert, langzaam, maar zeker. Elke ervaring draag je mee.


Pagina geschreven 10-7-2020.